Jaarverslag 2013

Jaarverslag 2012

Jaarverslag 2011

Jaarverslag 2010

Jaarverslag 2009

Jaarverslag 2008

Jaarverslag 2007

Jaarverslag 2006

Jaarverslag 2005

Jaarverslag 2004

Jaarverslag 2003

Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa publiceert nieuwe namen voor niet-opgeŽiste levensverzekeringspolissen uit de Tweede Wereldoorlog (december 2004)

Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa publiceert gegevens niet-opgeŽiste levensverzekeringspolissen WO 2 (6.5.2000)

Centraal Joods Overleg en Verbond van Verzekeraars sluiten akkoord over oorlogspolissen

Afwikkeling verzekeringstegoeden WO-II

Stichting Sjoa informeert commissie-Eagleburger over afwikkeling in Nederland van individuele verzekeringsclaims van oorlogsslachtoffers

Verslag van werkzaamheden van de Stichting Sjoa over 2000-2001



Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa publiceert nieuwe namen voor niet-opgeŽiste levensverzekeringspolissen uit de Tweede Wereldoorlog (december 2004)
Na jarenlang onderzoek in de archieven van verzekeraars en instellingen die te maken hebben met het naoorlogse rechtsherstel heeft de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa wederom gegevens gevonden over circa 1.350 ‘Joodse oorlogspolissen’, waarop waarschijnlijk nog een uitkering mogelijk is. De namen verbonden aan deze polissen zijn aan de bestaande lijst toegevoegd.


Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa publiceert gegevens niet-opgeŽiste levensverzekeringspolissen WO 2
De gegevens van houders en/of verzekerden van 'oorlogspolissen' die in het na-oorlogse herstel van verzekeringen niet zijn afgewikkeld, worden door de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa op onder meer de Internetsite van de Stichting (www.stichting-sjoa.nl) gepubliceerd. Het gaat hier om levensverzekeringen van tijdens de Tweede Wereldoorlog vervolgde Joden die niet zijn opgeŽist door rechthebbenden. De Stichting wil hiermee rechthebbenden in staat stellen alsnog een aanspraak te doen op de aan deze verzekeringen verbonden uitkering.

De Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa is belast met het beoordelen en eventueel honoreren van individuele aanspraken op Nederlandse oorlogspolissen. De Stichting is opgericht in het kader van de overeenkomst van 9 november 1999 tussen het Centraal Joods Overleg en het Verbond van Verzekeraars over de afwikkeling van oorlogstegoeden. De primaire taak van de Stichting is het in behandeling nemen van individuele aanvragen van degenen die menen dat een verzekering van hun directe familieleden na de oorlog niet tot uitkering is gekomen. Daarnaast vraagt de Stichting nu of mogelijke rechthebbenden op de gepubliceerde onopgeŽiste verzekeringen zich willen melden. Indien kan worden vastgesteld dat de betrokkene recht heeft op de verzekerde uitkering, gaat de Stichting over tot uitkering van de polis, verhoogd met een rentevergoedingsfactor. Voor de periode 1943-heden is deze factor 22.

De lijst van circa 750 niet-opgeŽiste verzekeringen is het resultaat van onderzoek in de archieven van verzekeraars. Zoals in het rapport van de commissie-Scholten is vastgesteld, heeft na de oorlog een systematisch proces van herstel van polissen van tijdens de Tweede Wereldoorlog vervolgde Joden plaatsgevonden. Tot circa 1955 is hierbij het merendeel van de verzekeringen afgewikkeld. Verzekeringen waarvoor zich geen rechthebbenden hebben gemeld, zijn rond 1955 als 'onbeheerde nalatenschappen' overgedragen aan de Nederlandse Staat. Daarnaast waren er verzekeringen onttrokken aan de confiscatie door de roofbank Liro die, als gevolg hiervan, deels buiten het systematische herstelproces zijn gebleven. De huidige lijst heeft betrekking op deze categorieŽn.

De commissie-Scholten heeft geadviseerd dit onderzoek te verrichten om onzekerheid over individuele gevallen zo veel mogelijk weg te nemen. Het onderzoek naar niet-opgeŽiste verzekeringen wordt verder voortgezet, onder meer door middel van een door de Verzekeringskamer uit te voeren accountantsonderzoek. Wegens het ontbreken of incompleet zijn van polisarchieven zal het niet mogelijk zijn alle niet-opgeŽiste polissen alsnog te reconstrueren. De gegevens van niet-opgeŽiste polissen die in het verdergaande onderzoek nog worden aangetroffen, zullen eveneens door de Stichting worden gepubliceerd.

Vrijdag a.s. zal de namenlijst gepubliceerd worden op de Internetsite van de Stichting (www.stichting-sjoa.nl). Daarnaast is de lijst per e-mail (info@stichting-sjoa.nl) en schriftelijk op te vragen bij de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa, Postbus 91475, 2509 EB te Den Haag.

Den Haag, 6 april 2000

Persinformatie:

Anky van Leeuwen, tel. 070 - 3338674


Centraal Joods Overleg en Verbond van Verzekeraars sluiten akkoord over oorlogspolissen
Het Centraal Joods Overleg (CJO) en het Verbond van Verzekeraars hebben een overeenkomst gesloten over de afhandeling van levensverzekeringen van in de Tweede Wereldoorlog vervolgde Joden. De verzekeraars stellen voor dit doel 45 miljoen gulden ter beschikking. Van dit bedrag is 20 miljoen bestemd voor individuele uitkeringen aan rechthebbenden op de polissen en 25 miljoen voor doelen te bepalen door de Joodse gemeenschap. Daarnaast zal het Verbond met een bedrag van 5 miljoen gulden het project Monument Joodse Gemeenschap financieren. De overeenkomst is een finale regeling, waarmee partijen beogen recht te doen aan en helderheid te scheppen voor de slachtoffers van de Sjoa en hun nabestaanden.

Sinds het voorjaar van 1997 hebben het CJO en het Verbond intensief overleg gevoerd over de oorlogsverzekeringen. Dit leidde al in een vroegtijdig stadium tot goede en billijke procedures voor de afhandeling van claims van Joodse slachtoffers en hun erfgenamen. Tot op heden zijn 1.300 verzoeken om informatie behandeld. Daarvan zijn 44 claims voor een bedrag van circa 750.000 gulden gehonoreerd. Voorts werd gesproken over het tot stand brengen van een definitieve regeling voor polissen, die nog niet zijn opgeŽist en wellicht niet meer zullen worden opgeŽist omdat rechthebbenden ontbreken of onvindbaar blijven. Op grond van eigen onderzoek en met raadpleging van de nog beschikbare archieven hebben partijen een schatting van de waarde van de nooit opgeŽiste oorlogspolissen gemaakt.* Uitgangspunt daarbij zijn de indertijd verzekerde bedragen, opgehoogd met een rentevergoedingsfactor voor de gederfde rente sedert 1943. Richtsnoer daarvoor was een factor 22.

Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa
Op basis van de ervaring die de afgelopen twee jaar is opgedaan met de afhandeling van claims valt te verwachten dat nog maar een klein deel van de verzekeringen kan worden uitbetaald aan nabestaan-den van de in de oorlog verzekerde Joden. Voor dit doel hebben het Verbond en het CJO de onafhankelijke Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa opgericht. De stichting krijgt met 20 miljoen gulden ruim voldoende middelen om individuele claims af te handelen. Het bestuur van de stichting wordt gevormd door mr. E.J. Numann, mr. J. de Ruiter en mr. M.R. Wijnholt.

Degenen die menen aanspraak te hebben op uitkering van een levensverzekering, die voor of in de oorlog is afgesloten, kunnen zich nog tien jaar lang tot deze stichting wenden. De stichting zal in de media informatie verstrekken over de mogelijkheden claims in te dienen. Nog niet afgehandelde claims, die bij verzekeraars en het Centraal Meldpunt Joodse Oorlogsclaims liggen, zullen door de stichting worden overgenomen. Nederlandse Joden en hun nabestaanden, ook als ze thans in het buitenland wonen, kunnen, zo goed mogelijk onderbouwd, een verzoek tot uitkering indienen. De stichting vergoedt rente volgens een model dat door beide organisaties is ontwikkeld. Voor de periode 1943 - 2000 betekent dit een vermenigvuldigingsfactor van 22. Voor verzoeken die later worden ingediend en toegewezen, zal de rentevergoeding worden aangepast. De stichting hanteert dezelfde souplesse jegens de bewijslast als de afgelopen twee jaar is toegepast door de individuele verzekeraars. Claims die vanaf het voorjaar van 1997 zijn afgehandeld, worden niet opnieuw in behandeling genomen. De verzekeraars zullen de stichting voorzien van de nodige gegevens en nemen de uitvoeringskosten van de stichting voor hun rekening. De na tien jaar nog aanwezige middelen van de stichting zullen voor 2/3 aan de Joodse gemeenschap ter beschikking worden gesteld.


Bestemming bedrag Stichting Joodse Oorlogstegoeden
Gezien het precedentloze karakter van de Sjoa, menen beide partijen dat de Joodse gemeenschap de morele rechthebbende is op uitkeringen van levensverzekeringen die niet meer zullen worden opgeŽist. Daarom heeft het Verbond namens zijn betrokken leden besloten een bedrag van 25 miljoen gulden ter beschikking te stellen aan de Joodse gemeenschap. Het CJO richt de Stichting Joodse Oorlogstegoeden op waarin naast de vertegenwoordigers van de bij het CJO aangesloten organisaties in elk geval vertegenwoordigers van specifieke slachtofferorganisaties zitting hebben. Over de bestemming van de middelen door de Stichting wordt een referendum georganiseerd onder de Joodse oorlogsslachtoffers. De gelden kunnen naar individuele oorlogsslachtoffers dan wel naar andere Joodse doelen gaan, zelf te bepalen door de oorlogsslachtoffers middels dit referendum. Het gedeelte van het overschot van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa dat na tien jaar zal worden overgedragen aan de Stichting Joodse Oorlogstegoeden zal op overeenkomstige wijze worden besteed. Het Verbond is geen partij bij de verdeling van de gelden van de Stichting Joodse Oorlogsslachtoffers en ondersteunt de visie dat de Joodse gemeenschap zelf moet zorgdragen voor de verdeling van de oorlogsgelden. Het is het voornemen van het CJO om ook het opgerente restant van de afkoopwaarden van polissen van Joodse vervolgden, die door verzekeraars aan de Staat zijn overgedragen, bij de regering op te vragen. Dit bedrag en andere toekomstige uitkeringen zouden dan eveneens naar de stichting gaan.


Monument Joodse Gemeenschap
Het Verbond van Verzekeraars stelt 5 miljoen gulden beschikbaar voor het onderzoeksproject Monument Joodse Gemeenschap. Dit educatieve project heeft tot doel het levend houden van de herinnering aan de Nederlands-Joodse gemeenschap die de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt. Door het gebruikmaken van de vele gegevens uit archieven die in de afgelopen jaren zijn onderzocht, wordt getracht een zo compleet mogelijk beeld te geven van de Joodse gemeenschap van voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. De huidige generaties krijgen door gebruik te maken van Internet de mogelijkheid gegevens over familie, vrienden, bekenden aan te vullen met informatie waarover zij zelf nog beschikken. Met dit project willen de Nederlandse verzekeraars eer betonen aan alle slachtoffers van de Sjoa.


* Toelichting nooit opgeŽiste levensverzekeringen
In het naoorlogse rechtsherstel is het overgrote deel van de verzekeringen, die door de roofbank Lippmann, Rosenthal & Co waren geconfisqueerd, hersteld. In veel gevallen betekende dit dat het verzekerd bedrag werd uitgekeerd aan nabestaanden van de Joodse verzekerden. Een deel van de verzekeringen kon echter niet worden uitgekeerd omdat zich hiervoor geen rechthebbenden hebben gemeld. De afkoopwaarden van deze verzekeringen zijn rond 1955 aan de Staat overgedragen als 'onbeheerde nalatenschappen'. Uiteindelijk is hiervan ca. 450.000 gulden bij de Staat gebleven. Vastgesteld is dat de verzekerde waarde van deze verzekeringen circa viermaal de afkoopwaarde bedraagt. De verzekeraars betalen thans deze verzekerde waarde, minus de afkoopwaarde die nog bij de Staat ligt. Daarnaast is een beperkt aantal niet-opgeŽiste verzekeringen buiten het rechtsherstel gebleven en niet bij de afkoop aan de Staat betrokken geweest. Ook deze zijn in de overeenkomst opgenomen.
Vanwege het ontbreken van polisarchieven was het niet mogelijk het nooit uitgekeerde tegoed via individuele polissen vast te stellen. Gegevens over polissen zijn in het algemeen niet meer aanwezig na een wettelijke bewaartermijn van tien jaar nadat de verzekeraar aan zijn verplichtingen had voldaan. Daarom is gekozen voor een berekening op macro-niveau van de verzekerde waarde van de verschillende categorieŽn verzekeringen. In het totaal komen partijen dan uit op een bedrag van 45 miljoen gulden.
Den Haag, 9 november 1999

Persinformatie
Centraal Joods Overleg
drs. R. Naftaniel
tel. 070 - 364 68 62

Verbond van Verzekeraars
drs. W. Terwisscha
tel. 070 - 333 86 75


Dit dossier is een speciale uitgave van het Centraal Joods Overleg en het Verbond van Verzekeraars over de afwikkeling van niet-opgevraagde verzekeringstegoeden. In dit dossier worden de achtergronden beschreven van de overeenkomst die het Verbond en het CJO in november 1999 sloten. In het hart van deze uitgave is bovendien een samenvatting van het eindrapport van de Begeleidingscommissie onderzoek financiŽle tegoeden WO-II in Nederland (Commissie Scholten) opgenomen.

Afwikkeling verzekeringstegoeden WO-II
Vier van de vijf onderzoekscommissies, die door de overheid zijn ingesteld om de roof en het rechtsherstel tijdens en na de Tweede Wereldoorlog te onderzoeken, hebben hun werk afgerond. De Commissie Scholten (financiŽle tegoeden) presenteerde in december 1999 haar bevindingen onder andere over verzekeringen. In het eindrapport pleit de commissie ervoor dat de effectenhandel, de banken en de verzekeraars een 'gebaar' maken naar de Joodse gemeenschap. Het Verbond van Verzekeraars had samen met het Centraal Joods Overleg een maand eerder al een overeenkomst gesloten over de restitutie van verzekeringstegoeden. In dit dossier wordt ingegaan op dat akkoord en op de bevindingen van de Commissie Scholten.

Belangrijkste doel van het akkoord dat het CJO en het Verbond in november 1999 tekenden, is het scheppen van helderheid voor de slachtoffers van de Jodenvervolging en hun nabestaanden over niet opgevraagde verzekeringsgelden. De overeenkomst moet als een finale regeling worden gezien. Prof. dr. E.J. Fischer, algemeen directeur van het Verbond van Verzekeraars: "De verzekeringsgelden die na de Tweede Wereldoorlog niet tot uitkering zijn gekomen, worden nu alsnog overgedragen. Het gaat daarbij om de niet-opgeŽiste tegoeden die zowel de Commissie Scholten als CJO en het Verbond hebben vastgesteld." Fischer spreekt in dit kader van een 'sluitstuk waarmee CJO en het Verbond recht doen aan de slachtoffers van de Sjoa'.
De verzekeringsbedrijfstak stelt in totaal vijftig miljoen gulden beschikbaar: twintig miljoen is bestemd voor individuele uitkeringen (zie ook het artikel Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa), vijfentwintig miljoen gulden voor doelen die door de Joodse gemeenschap zelf worden vastgesteld en vijf miljoen gulden voor het onderzoeks- en Internetproject Monument Joodse Gemeenschap.

Monument Joodse gemeenschap
Het onderzoeksproject 'Monument Joodse Gemeenschap' zal als een educatief project worden opgezet. Met als doel de herinnering aan de Nederlands-Joodse gemeenschap die de Tweede Wereldoorlog heeft meegemaakt, levend te houden. Door gebruik te maken van de vele gegevens uit archieven die in de afgelopen jaren zijn onderzocht, wordt geprobeerd een zo compleet mogelijk beeld van de Joodse gemeenschap voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog te schetsen. Via Internet kunnen huidige generaties de gegevens over familie, vrienden en bekenden aanvullen met de informatie waarover zij zelf nog beschikken. De verzekeringsbedrijfstak wil met dit project haar eer betonen aan alle slachtoffers van de Jodenvervolging.

Stichting Joodse Oorlogstegoeden
Zowel het Verbond als het CJO menen 'dat de Joodse gemeenschap het morele recht heeft op uitkeringen van levensverzekeringen uit de Tweede Wereldoorlog waarvoor geen rechthebbenden opkomen'. CJO-woordvoerder drs. R.M. Naftaniel: "Samen met het Verbond hebben we ruim twee jaar op een heel integere wijze gewerkt aan een goede afhandeling van de oorlogspolissen. Er kon al snel worden overgegaan tot het honoreren van claims, waarbij verzekeraars zich soepel hebben opgesteld. Door het precedentloze karakter van de Jodenvervolging, waarbij hele families in hun geheel zijn omgekomen, zullen niet alle gelden aan rechthebbenden kunnen worden uitgekeerd. Met het Verbond hebben we dan ook afgesproken dat de niet-opgeŽiste tegoeden aan de Joodse gemeenschap toekomen."
De helft van het totaalbedrag dat met het akkoord is gemoeid (25 miljoen gulden), zal worden ondergebracht bij de Stichting Joodse Oorlogstegoeden. "De besteding van dit geld en gelden die andere partijen beschikbaar stellen aan de Joodse gemeenschap worden steeds pas na raadpleging van de slachtoffers van de Sjoa bepaald", benadrukte CJO-voorzitter mr. E.J. Numann op de persconferentie waar het akkoord met de verzekeringsbedrijfstak bekend werd gemaakt. Numann toonde zich daar een tevreden man: "Het is een uitstekend akkoord. Beide partijen hebben heel realistisch onderhandeld en materieel gezien zijn we dan ook heel tevreden. Daarnaast is het psychologische aspect voor ons van groot belang. Dit akkoord is het antwoord op decennia lange frustratie over een zaak die niet goed was geregeld. Natuurlijk was er al heel veel wel goed afgewikkeld: meer dan vijfennegentig procent van de verzekeringspolissen is na de oorlog uitbetaald, maar nu kunnen we alsnog afwikkelen wat destijds niet goed is gegaan."
Ook CJO-woordvoerder Naftaniel legt de nadruk op het rechts'herstel'. Zo benadrukte hij bijvoorbeeld direct na afloop van de presentatie van het eindrapport van de Commissie Scholten dat de Joodse gemeenschap 'niet loopt te bedelen om een excuus'. "Oorlogsslachtoffers en hun nabestaanden willen vooral herstel."

Nooit opgeŽiste levensverzekeringen
Het overgrote deel van de verzekeringen dat door de Liro-bank was geconfisqueerd (circa achtennegentig procent), is relatief kort na de oorlog hersteld. In de meeste gevallen kwam het erop neer dat het verzekerde bedrag aan de rechthebbende of nabestaanden werd uitgekeerd. Een klein deel van de verzekeringen kon echter niet worden uitgekeerd omdat zich hiervoor nooit rechthebbenden hebben gemeld of konden worden gevonden. Rond 1955 zijn - conform het Nederlandse erfrecht - de (toenmalige) afkoopwaarden van deze polissen onder de noemer 'onbeheerde nalatenschappen' aan de Staat overgedragen. Uiteindelijk is circa 430.000 gulden van deze nalatenschap bij de Staat gebleven. Vastgesteld is dat de verzekerde waarde van deze verzekeringen viermaal de afkoopwaarde bedraagt. En via de overeenkomst die het Verbond en het CJO in november 1999 sloten, betalen verzekeraars deze verzekerde waarde - met vergoeding voor gederfde rente - alsnog uit (min de afkoopwaarde die nog bij de Staat ligt). Ook een aantal niet-opgeŽiste verzekeringen (met name de zogenoemde 'volksverzekeringen') dat toentertijd niet bij de afkoop aan de Staat was betrokken, is nu in de overeenkomst opgenomen.

Verbondsdirecteur Fischer vertelt dat het niet is gelukt om het nooit uitgekeerde tegoed via alle afzonderlijke individuele polissen alsnog te reconstrueren. Hij noemt als belangrijke reden daarvoor onder meer het ontbreken van of lacunes in essentiŽle polisarchieven. Fischer: "De gegevens over deze polissen zijn, meestal na een wettelijke bewaartermijn van tien jaar nadat de verzekeraars aan hun verplichtingen hebben voldaan, vernietigd. Op grond van een eigen onderzoek en het raadplegen van de nog wel beschikbare archieven hebben we samen met het CJO een redelijk accurate schatting van de waarde van de nooit opgeŽiste polissen kunnen maken. De indertijd verzekerde bedragen zijn verhoogd met een vergoeding van de sinds 1943 gederfde rente. Uiteindelijk zijn we op een factor 22 (voor de periode 1942-1999) uitgekomen en in totaal komt dat neer op een bedrag van 45 miljoen gulden."

Onafhankelijke Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa
Het Verbond heeft samen met het CJO op 9 november 1999 de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa opgericht om aanvragen voor een uitkering van een Joodse oorlogspolis te beoordelen en te honoreren. Deze Stichting, die tien jaar actief blijft, heeft tot doel om na te gaan of iemand aanspraak heeft op een betaling. Aanvragen die al vůůr 9 november 1999 waren ingestuurd naar een Nederlandse levensverzekeraar, naar het Verbond van Verzekeraars of naar het Centraal Meldpunt Joodse Oorlogsclaims, hoeven niet opnieuw te worden ingediend.

Bestuur van de Stichting
Het bestuur van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa - wordt gevormd door:
- mr. M.R. Wijnholt (voorzitter) - oud-president van de rechtbank in Den Haag;
- mr. E.J. Numann - bestuurslid van het Centraal Joods Overleg, vice-president van de
rechtbank in Den Haag;
- mr. J. de Ruiter - Ombudsman Levensverzekering, oud-minister van Justitie en Defensie.

Naar aanleiding van de aanvraag van een slachtoffer van de Holocaust of een nabestaande zal de Stichting een gedegen onderzoek laten doen in archieven van verzekeraars en andere relevante Nederlandse archieven. Bijvoorbeeld in de nog beschikbare archieven van de Raad voor het Rechtsherstel. Het bestuur van de Stichting neemt vervolgens op basis van de onderzoeksresultaten een beslissing over de aanvraag. De beoordeling over een uitkering wordt genomen op basis van redelijkheid en billijkheid.

Behandelduur
Het archiefonderzoek moet voor een groot deel handmatig plaatsvinden. Bovendien zijn de archieven die voor raadpleging in aanmerking komen, over het hele land verspreid bij diverse bedrijven en instellingen. Er kunnen daardoor weken (soms zelfs maanden) overheen gaan voordat het bestuur een aanvraag kan beantwoorden. De Stichting streeft er in ieder geval naar om uiterlijk zes maanden na een aanvraag een beslissing te nemen. Het reglement en het aanvraagformulier voor onderzoek door de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa is, inclusief in een Engelse vertaling, te vinden op Internet: www.stichting-sjoa.nl De Stichting is gevestigd op de Bordewijklaan 4, Postbus 91475, 2509 EB Den Haag, en is te bereiken per fax 070 - 333 8846 en via e-mail: info@stichting-sjoa.nl

Eindrapport Commissie Scholten
De voor de verzekeringsbedrijfstak belangrijk(st)e Begeleidingscommissie onderzoek financiŽle tegoeden WO II in Nederland, kortweg de Commissie Scholten genoemd, presenteerde half december haar eindrapport (*) tijdens een persconferentie in het Haagse Nieuwspoort. Dit eindrapport, dat naast bevindingen ook conclusies en beleidsaanbevelingen bevat, bestaat uit wetenschappelijk onderzoek van financiŽle tegoeden bij financiŽle instellingen. Commissievoorzitter mr. W. Scholten verwees geÔnteresseerde journalisten voor een 'algemeen oordeel over het rechtsherstel' door naar het eindrapport van de Commissie Van Kemenade, dat begin dit jaar is verschenen.

Onderzoeksopdracht
Bij haar installatie op 13 juli 1997 krijgt de Commissie Scholten als taakopdracht 'een onderzoek te verrichten naar de feitelijke systematiek rond het rechtsherstel aangaande financiŽle tegoeden van oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog bij banken en verzekeraars in Nederland. Daarbij kan aan de orde komen de rol van banken en verzekeraars, alsmede - waar relevant - de rol van de overheid'. De commissie dient zich daarbij, gegeven deze taakopdracht, te onthouden van een op specifiek individuele gevallen toegespitst onderzoek.
In haar ruim twee jaar durende onderzoek heeft de commissie zich dan ook geheel gericht op de vraag welke tegoeden, rechten op verzekeringen en andere tegoeden nu nog ten onrechte bij banken, verzekeraars en de Staat zouden (kunnen) zijn. De restitutie heeft voor een belangrijk deel plaatsgevonden binnen het kader van het rechtsherstel. "Een uiterst complexe operatie, die veel respect afdwingt, maar waarbij ook enkele kritische kanttekeningen moeten worden geplaatst", aldus Scholten. Hij wijst daarbij met name op de lange duur van het rechtsherstel en de vaak bureaucratische wijze van handelen.

Rechtsherstel verzekeraars
Binnen de verzekeringsbedrijfstak heeft de commissie geen ernstige gebreken kunnen ontdekken: verzekeringen zijn na de oorlog systematisch hersteld. Op beperkte schaal zijn wel lacunes geconstateerd, met name bij de zogenoemde volksverzekeringen (vooral kleine verzekeringen). Het CJO en het Verbond ondersteunen de aanbevelingen van de commissie; de medewerking aan een accountantsonderzoek is toegezegd.

De samenvatting van het deelrapport Verzekeringen van de Commissie Scholten is samengesteld door dr. R. GrŁter, onderzoeker van de Begeleidingscommissie onderzoek financiŽle tegoeden WO II in Nederland. GrŁter heeft zich in het onderzoeksteam geconcentreerd op het deelrapport Levensverzekeringen, lijfrenten, pensioenen en uitvaartverzekeringen.

Roof en rechtsherstel van Joodse levensverzekeringen, lijfrenten, pensioenen en uitvaartverzekeringen in Nederland

Bevindingen van de Begeleidingscommissie onderzoek financiŽle tegoeden WO II in Nederland
De Begeleidingscommissie onderzoek financiŽle tegoeden WO II in Nederland, kortweg de Commissie Scholten genoemd, kreeg in 1997 de algemene opdracht 'onderzoek te verrichten naar de feitelijke systematiek rond het rechtsherstel aangaande financiŽle tegoeden van oorlogsslachtoffers van de Tweede Wereldoorlog bij banken en verzekeraars in Nederland'. De commissie heeft zich tijdens het onderzoek in het bijzonder gericht op de vraag welke tegoeden, rechten op polissen of andere vermogenswaarden van slachtoffers of gedupeerden ten gevolge van maatregelen uit de bezettingstijd ten onrechte momenteel nog bij banken, verzekeringsmaatschappijen of de Staat berusten.

Methodologische verantwoording
De Commissie Scholten heeft - om een antwoord te (kunnen) geven op de centrale vraag van het rapport - onderzoek gedaan naar zowel de roof van verzekeringen tijdens de Duitse bezetting als het naoorlogse rechtsherstel. Voor de verzekeringen is op vier terreinen archiefonderzoek verricht. Ten eerste bij verzekeringsmaatschappijen en overkoepelende organisaties in de verzekerings- en pensioenbranche. En daarnaast in archieven van de bezettende autoriteiten, de Nederlandse overheid en Joodse instanties. En hoewel veel archiefcollecties inmiddels vernietigd bleken te zijn, kon aan de hand van de aangetroffen documenten een nauwkeurige reconstructie worden gemaakt van de systematiek van de roof en het rechtsherstel van Joodse verzekeringspolissen. Daarbij stonden twee vragen centraal. Welke verzekeringen zijn door de bezetter geroofd en hoe zijn deze na de bevrijding hersteld? De tweede vraag was of lacunes in de roof hebben geleid tot het achterblijven van polissen en verzekerde waarden bij verzekeraars. (einde kader)

Conclusies...
De conclusies die de Commissie Scholten met betrekking tot 'het rechtsherstel in het algemeen' in haar eindrapport heeft opgenomen, gelden grotendeels ook voor de verzekeringsbranche. Zo heeft het volgens de commissie lang geduurd voordat het rechtsherstel tot stand kwam, en daarnaast was er bij de interpretatie van regels vaak weinig oog voor de belangen van de gedepossedeerden (de beroofden).
Over het rechtsherstel van verzekeringsovereenkomsten concludeert de commissie 'dat het systematisch feitelijk heeft plaatsgevonden'. Met overigens wel de aantekening dat er 'enkele mogelijke lacunes in de systematiek' van het rechtsherstel zijn gevonden. Het betreft in dit geval levensverzekeringen, in het bijzonder zogenoemde volksverzekeringen, die in bezettingstijd buiten de aanmelding en de afkoop kunnen zijn gebleven. Ook het rechtsherstel ten aanzien van uitvaartverzekeringen kan onvolledig zijn geweest.
En ten slotte constateerde Scholten dat de afkoopwaarden van polissen waarvoor zich geen rechthebbenden hadden gemeld, in de jaren 1956-1957 aan de Staat zijn uitbetaald. Dit was geheel conform een regeling die was vastgelegd in het Burgerlijk Wetboek. Volgens de wetgeving was de Staat de erfgenaam van onbeheerde nalatenschappen. Wanneer de rechthebbenden zich na betaling aan de Staat zouden melden, dan werden de polissen alsnog uitbetaald. Het verschil tussen de afkoopwaarde en de verzekerde waarde van de onbeŽrfde polissen is bij verzekeraars gebleven.

... en aanbevelingen
De aanbevelingen die de Commissie Scholten met betrekking tot het rechtsherstel van de verzekeringspolissen in haar eindrapport heeft opgenomen, zijn tweeledig. Zowel de verzekeraars als de Staat werden aanbevolen om 'een financieel gebaar' te maken en hiervoor de Joodse gemeenschap, die maatschappelijk gezien de gedepossedeerden vertegenwoordigt, te horen. Daarnaast moeten verzekeraars, om de onzekerheid over het herstel van individuele polissen zoveel mogelijk weg te nemen, hun administratie onderzoeken op polissen die niet tot uitkering zijn gekomen. Een accountantskantoor moet deze gegevens - onder controle van de Verzekeringskamer - niet alleen controleren, maar ook publiceren.

De roof van Joodse verzekerde waarden via Liro
Tijdens de Tweede Wereldoorlog krijgt de bezetter door middel van een reeks verordeningen - met de kracht van wet - de verzekerde waarden van Joodse polishouders in handen. Bij de 'Eerste Liro-Verordening' 148/1941 van 8 augustus 1941 blijven verzekeringen nog buiten schot, omdat deze verordening vooral is gericht op banktegoeden, contante gelden en effecten. Het gevolg van deze verordening is echter wel dat sommige Joden proberen hun kapitaal veilig te stellen in zogenoemde 'vluchtpolissen', waarbij een koopsom ineens dient om een verzekering af te sluiten.
Het was eigenlijk de bedoeling om via deze vluchtpolissen de gelden in bewaring te geven, zodat deze in betere tijden - na aftrek van kosten - weer zouden worden geretourneerd. Het gebeurde ook wel dat polissen werden gesplitst in contracten die afzonderlijk niet afkoopbaar waren. En de verordening bood ten slotte de mogelijkheid om lijfrentepolissen af te sluiten die waren gefinancierd uit bedrijfskapitaal. Daardoor konden Joodse werknemers bij gedwongen ontslag een verkapte wachtgeldregeling krijgen.
Uit de gevonden documentatie blijkt dat verzekeraars aan deze praktijken hebben meegewerkt, ofschoon de officiŽle houding van de Bedrijfsgroep Levensverzekering en de maatschappijen tegenover dergelijke activiteiten terughoudend was.

Polissen inleveren
Als op 21 mei 1942 de Tweede Liro-Verordening (VO 58/1942) van kracht wordt, moeten Joden hun levensverzekeringen, lijfrenten, pensioenen en schadeverzekeringen melden bij de roofbank Lippmann Rosenthal & Co Sarphatistraat (Liro). Tegelijkertijd moeten zij hun polissen inleveren. De verzekeraars worden verplicht verzekeringen van Joodse cliŽnten te melden en expirerende polissen en lopende lijfrenten uit te keren aan Liro in plaats van aan de verzekerden zelf. Daarnaast mag geen enkele rechtshandeling (bijvoorbeeld afkoop, belening, verandering van begunstiging) met een Joodse verzekering plaatsvinden zonder toestemming van Liro. Ook worden verzekeringsmaatschappijen verplicht hun verzekeringsnemers een formulier voor te leggen waarop ze moeten invullen of zij volgens de definitie van de bezetter (art. 4 van Verordening 189/1940) Jood zijn of niet.
De Joodse polishouders hebben op grote schaal hun polissen gemeld en op grond daarvan schatte de roofbank Liro in oktober 1942 de te verwachten afkoopwaarde van de Joodse polissen op ongeveer 25 miljoen gulden (inclusief lijfrenten).
Bij de uitvoering van Verordening 54/1943 van 11 juni 1943 blijkt vervolgens dat dat een reŽle schatting is geweest. Volgens deze nieuwe verordening moesten de levensverzekeringen die volgens de Tweede Liro-Verordening aanmeldingsplichtig waren, met ingang van 30 juni 1943 worden beŽindigd. Als de verzekering volgens de polisvoorwaarden voorzag in afkoop, moest de verzekeraar per 30 juni 1943 de afkoopsom aan Liro betalen. En wanneer de verzekeringsovereenkomst niet voorzag in afkoop (zoals bij lijfrenten en pensioenen), moest de verzekeraar driekwart van de wiskundig vastgestelde premiereserve aan Liro betalen.

Verzekeraars onder druk
Uit de documenten blijkt dat de bezetter zeer ontevreden was over de uitvoering van de enquÍte door verzekeraars naar de Joodse indentiteit van hun cliŽnten. Daarnaast voerden verzekeraars de verordeningen veelal traag uit door de betrokken overeenkomsten individueel te behandelen en de verordeningen zoveel mogelijk volgens de letter van de polisvoorwaarden uit te voeren.
Als in de eerste maanden van 1944 blijkt dat de beoogde afkoop niet snel genoeg vordert, worden de verzekeraars onder druk gezet. Liro dreigt met de benoeming van 'Verwalters' (door de bezetter ingestelde beheerders) bij de maatschappijen, met controles van de administratie en met het rapporteren van het in gebreke blijven van maatschappijen aan het Rijkskommissariaat. Bovendien chanteert Generalkommissar FischbŲck verzekeraars met het dreigement de eerder afgegeven voorlopige vrijstelling van afkoop van volksverzekeringen (levensverzekeringen met een lage verzekerde waarde tot 500 gulden) in te trekken, als de afkoop van de andere verzekeringen niet alsnog - voor de bezetter - bevredigend wordt uitgevoerd. Door die druk komen er in de laatste maanden van de afkoopoperatie (maart tot juli 1944) nog miljoenen aan afkoopwaarden bij Liro binnen. De vrijstelling van afkoop van de volksverzekeringen wordt in september 1944 definitief. Dan blijkt ook dat Liro ruim 26 miljoen gulden aan Joodse verzekeringsgelden heeft geroofd. Daarvan is ongeveer 23,5 miljoen afkomstig uit gedwongen afkopen, terwijl 2,5 miljoen bestaat uit uitkeringen die verzekeraars in de periode tussen de aanmeldingsverordening (58/1942) en de afkoopverordening (54/1943) aan Joodse verzekerden verschuldigd waren.

Afkoopoperatie
Tijdens de zogenoemde afkoopoperatie, die van maart tot juli 1944 plaatsvindt, zijn drie categorieŽn polissen niet afgekocht:

a) De door de bezetter vastgestelde uitzonderingscategorieŽn, zoals verzekeringen van gemengd gehuwden, wier kinderen niet als Joods werden beschouwd; verzekeringen waarvan de begunstigden niet-Joods waren; verzekeringen van ontsterde Joden; verzekeringen die nog geen waarde hadden opgebouwd.

b) Volksverzekeringen waren eerst voorlopig en per september 1944 definitief van afkoop uitgezonderd. Volgens de in verzekeringsarchieven aangetroffen documentatie zijn zij vaak wel afgekocht, omdat de aanmeldingsplicht van volksverzekeringen door Joodse polishouders niet was afgeschaft.

c) Verzekeringen die noch door de verzekeringsnemer, noch door de verzekeraar zijn aangemeld bij Liro.

Het rechtsherstel
Al tijdens de bezetting bereidt de Nederlandse regering in Londen de principes van het naoorlogse rechtsherstel voor. Het Besluit Bezettingsmaatregelen (E 93) van 17 september 1944 bijvoorbeeld houdt in dat de anti-Joodse bezitsverordeningen worden geacht nimmer van kracht te zijn geweest. Het Besluit Herstel Rechtsverkeer (E 100) van dezelfde datum vormt de verdere basis voor het rechtsherstel, waarbij de onafhankelijke Raad voor het Rechtsherstel de bevoegdheid krijgt om rechtsbetrekkingen die tijdens de bezetting tot stand zijn gekomen of gewijzigd, geheel of gedeeltelijk nietig te verklaren of gewijzigd vast te stellen. Daarnaast kan de Raad eveneens rechtsbetrekkingen die in de bezettingstijd geheel of gedeeltelijk teniet zijn gegaan (zoals de afkoop van levensverzekeringen) al of niet in gewijzigde vorm doen herleven. Er wordt echter geen aparte regeling getroffen voor het herstel van polissen, zodat de vraag hoe het polisherstel concreet geregeld moet worden uiteindelijk wordt beantwoord door uitspraken in procedures die gedupeerden bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel tegen verzekeraars aanspannen.
Als na de bevrijding de balans wordt opgemaakt, zijn de meeste Joodse polishouders niet meer in leven. Dat houdt in dat hun polissen tot uitkering moeten komen, maar de verzekeraars hadden deze verzekeringen op grond van de Duitse verordeningen moeten afkopen. Zij gingen ervan uit in de oorlog 'bevrijdend' te hebben betaald, en dus geen verplichtingen meer te hebben. Na de bevrijding moeten de verzekeraars op grond van E 93 toch uitkeren op verzekeringsovereenkomsten waarvan de afkoopwaarden inmiddels al aan Liro waren betaald. Verzekeraars moeten dus met andere woorden gedeeltelijk een tweede maal voor eenzelfde polis betalen: eerst gedurende de bezetting aan Liro en na de bevrijding aan de rechthebbenden. Een complicerende factor daarbij is dat de boedel van Liro, waaronder de door de verzekeraars betaalde bedragen ter hoogte van 26 miljoen gulden, de eerste jaren na de bevrijding vrijwel als verloren wordt beschouwd.

Geen overheidssteun
De verzekeraars menen dat zij deze schade niet kunnen opvangen zonder steun van de overheid. De schade maakt, volgens de bedrijfstak, deel uit van de totale financiŽle gevolgen van de bezettingstijd voor verzekeraars (er was ook sprake van oorlogsmolestschade, 'Indische schade' en verliezen door de verlaging van de rentevoet). Verzekeraars proberen daarom te komen tot een specifieke wettelijke regeling voor het herstel van de polissen, die ervoor moet zorgen dat de schade niet alleen door de maatschappijen wordt gedragen. De onderhandelingen met het Ministerie van FinanciŽn duren tot in 1948, maar de overheid weigert van het begin af aan om een garantie te geven voor het bedrag dat de maatschappijen van Liro terug te vorderen hebben. De onderhandelingen mislukken en vervolgens overwegen de verzekeringsbedrijfstak en het Ministerie van FinanciŽn de omvang van de uitkeringen in het kader van polisherstel terug te brengen door het erfrecht van Joodse overledenen te beperken tot directe familieleden (ouders, kinderen, broers en zusters). De Minister van FinanciŽn is voorstander van een dergelijke regeling, maar zijn collega-Minister van Justitie vindt het een schending van de grondwet en daardoor strandt ook dit voorstel. Daarnaast heeft het Ministerie van Justitie ook bezwaren tegen een ontwerpregeling, waarbij individuele maatschappijen die in de problemen zouden komen door grote herstelbedragen, toch financiŽle steun ontvangen. Een wettelijke regeling komt niet van de grond.

Jurisprudentie
In de tussentijd stellen de maatschappijen zich terughoudend op om de polissen volledig te herstellen. Ze proberen zich zoveel mogelijk te verweren tegen de procedures die sinds het begin van 1946 bij de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel op gang zijn gekomen. Maar uiteindelijk moeten ze zich wel neerleggen bij de - voor polishouders gunstige - jurisprudentie.
De belangrijkste uitspraken van de Raad worden gedaan in de periode 1946-1949. Vanaf 1946 ontstaat een vaste jurisprudentie, en het merendeel van de uitspraken is in het voordeel van de Joodse rechthebbenden. De uitkomst van de procedures komt er in grote lijnen op neer, dat 'op voorwaarde van betaling van de achterstallige premies met rente de verzekeringsovereenkomsten in kracht worden hersteld, tenzij de maatschappij kan aantonen dat herstel onredelijk is'. Dat betekent dat een levensverzekering wordt hersteld als de verzekeringsnemer in leven is. Wanneer het een lijfrente betreft en de lijfrentenier is nog in leven, wordt de lijfrente weer uitgekeerd. En als het gaat om een levensverzekering en de verzekeringsnemer is overleden, ontvangen de begunstigde of erfgenamen de verzekeringsuitkering. Lijfrenten worden na overlijden - geheel conform de verzekeringsvoorwaarden - niet meer uitgekeerd. De rechthebbende krijgt een vordering op de boedel van Liro, die overigens na de bevrijding is omgedoopt tot LVVS - Liquidatie van Verwaltung Sarphatistraat, als het om verschuldigde uitkeringen gaat die aan Liro zijn betaald in de periode tussen de aanmeldingsverordening van mei 1942 en de afkoopverordening van juni 1943. Achterstallige lijfrente-uitkeringen die na de afkoopdatum hadden moeten worden uitgekeerd, worden alsnog door de verzekeraars voldaan.

Raad voor het Rechtsherstel
De Raad voor het Rechtsherstel bepaalt verder, dat verzekeraars rente op de uitkeringen moeten betalen wanneer zij in gebreke zijn gesteld en dat kan pas het geval zijn vanaf het moment dat de voor de uitkering benodigde stukken aanwezig zijn. Bij herstel van polissen die zijn vervallen door staking van de premiebetaling in bezettingstijd, maakt de Raad voor het Rechtsherstel onderscheid tussen economische onmacht en daadwerkelijke overmacht. Wanneer daadwerkelijke overmacht wordt vastgesteld, bijvoorbeeld bij deportatie en onderduik, wordt de polis hersteld.
De verzekeraars krijgen door de Raad voor het Rechtsherstel het recht van een vordering bij LVVS toegewezen ten bedrage van de afkoopsom op Liro, maar pas tussen 1948 en 1950 blijkt dat een vordering op LVVS gedeeltelijk kan worden uitbetaald. Zij het dat de verzekeraars van LVVS uiteindelijk slechts negentig procent van hun erkende vordering ontvangen.
De consequente jurisprudentie, die op deze wijze tot stand komt, vormt de basis van het minnelijk polisherstel dat de verzekeraars - buiten de rechter om - met individuele rechthebbenden overeenkomen. Daarnaast worden in 1948 en 1954 twee overeenkomsten gesloten over verzekeringen die niet zijn opgeŽist tussen verzekeraars en bewindvoerders c.q. de overheid, die gebaseerd zijn op de principes van de door de Raad voor het Rechtsherstel gevormde jurisprudentie.

Stichting BAON
De polissen van de rechthebbenden die nog leven en zich melden, worden op die manier hersteld. Om ook de polissen waarvoor geen eigenaars, begunstigden of erfgenamen zich hebben gemeld te herstellen, benoemt het Nederlands Beheersinstituut (NBI) eind 1947 de Stichting Bewindvoering Afwezigen en Onbeheerde Nalatenschappen (BAON) tot bewindvoerder van alle afwezigen wier namen voorkomen in de administratie van LVVS. Op 10 juni 1948 wordt er een 'Agreement' gesloten tussen de BAON en de verzekeraars. Deze 'overeenkomst van voorwaardelijk rechtsherstel' houdt onder meer in dat de maatschappijen meewerken aan voorlopig herstel van de niet-opgeŽiste polissen volgens de principes van de inmiddels ontwikkelde jurisprudentie. Hiervan worden akten opgesteld en wanneer iemand zich alsnog als rechthebbende op de verzekerde uitkering kan legitimeren, wordt het voorlopig herstel definitief. De verzekeringsmaatschappij betaalt in dat geval de uitkering aan BAON, die voor doorbetaling aan de rechthebbende zorgt. De maatschappij wordt vervolgens door BAON gevrijwaard tegen aanspraken van andere personen, die eventueel later nog als rechthebbenden aanspraak op de uitkering kunnen maken.

Veegens-akkoord
In de jaren na de totstandkoming van het Agreement (1948 tot 1954) blijkt dat er voor een deel van de onbeheerde polissen geen gerechtigden opkomen. Volgens het Burgerlijk Wetboek vervallen goederen waarop niemand aanspraak doet (een onbeheerde nalatenschap) aan de Staat. De Staat is dus met andere woorden de erfgenaam van deze nalatenschappen en de levensverzekeraars sluiten daarom in september 1954 de Overeenkomst tot Minnelijk Rechtsherstel (het zogenoemde 'Veegens-akkoord'; genoemd naar landsadvocaat mr. Veegens). De Staat ziet af van het innen van de verzekerde bedragen, waarop hij feitelijk recht heeft, en neemt genoegen met de afkoopwaarden van deze onbeheerde polissen. Het verschil tussen verzekerde waarde en afkoopwaarde wordt aan de maatschappijen gelaten, zodat zij alsnog een soort compensatie ontvangen voor de grote schade als gevolg van de oorlog. De verzekeringsmaatschappijen boeken de afkoopwaarden van de niet-opgeŽiste polissen (dus de voorwaardelijk herstelde polissen die niet definitief hersteld konden worden omdat er geen rechthebbenden meer waren) over naar de Staat, waar zij bij de Dienst Domeinen terechtkomen. In de overeenkomst is een clausule opgenomen, dat de Staat na overlegging van een verklaring van erfrecht en een overlijdensverklaring, de afkoopsom terugboekt naar de betreffende verzekeraar als zich alsnog rechthebbenden melden. De verzekeraar zorgt dan voor uitkering aan de rechthebbende.
In 1956-1957 incasseert de Staat in het kader van de Veegens-regeling f 697.155,07. Na restitutie van afkoopsommen aan verzekeraars - in verband met herstel dat alsnog plaatsvindt - komt het definitieve bedrag van afkoopwaarden van niet-opgeŽiste verzekeringen uit op f 429.907,96. Dit hele proces wordt door de afdeling polisherstel van het NBI in samenwerking met mr. Veegens afgewikkeld.

Rol accountants
Zowel de activiteiten van BAON ten behoeve van het voorlopig rechtsherstel als de betaling van de afkoopsommen aan de Staat worden in opdracht van de Centrale Accountantsdienst van het Ministerie van FinanciŽn gecontroleerd door het accountantsbureau Nieuwenhuis & Bos. Uit de accountantsrapporten blijkt dat alle in de administratie van LVVS aanwezige polissen aan controle zijn onderworpen vanaf het moment dat de Staat belanghebbende is. Voor de nog-niet herstelde polissen moeten de maatschappijen zich verantwoorden.
In de rapporten wordt voorts geconstateerd dat het incidenteel voorkwam dat belanghebbenden geen bericht kregen van het herstel van hun polis. Er is ook niet altijd een door de erven getekende volmacht van de notaris gevraagd. Ook is er na het definitief herstel incidenteel een doorbetaling gedaan aan tussenpersonen (voogden, boedelnotarissen, curatoren) in plaats van aan de rechthebbenden.
Volgens de eindconclusie van de accountants heeft het polisherstel aan redelijke eisen voldaan. De documentatie die in het kader van het onderzoek van de Commissie Scholten is aangetroffen bij verschillende verzekeringsmaatschappijen, bevestigt deze conclusie niet alleen, maar versterkt deze zelfs.

Verzekeringswaarden die via andere trajecten zijn geroofd
Uitvaartverzekeringen die door uitvaartverenigingen waren gedekt, vielen niet onder de meldings- en afkoopverplichting van de Liro-Verordeningen. Dergelijke overeenkomsten waren immers veelal gebaseerd op lidmaatschappen van geheel of gedeeltelijk ideŽel, cultureel of religieus gerichte verenigingen of stichtingen. Bij dergelijke instellingen was - voorzover het onderzoek van de Commissie Scholten heeft kunnen aantonen - op ťťn uitzondering na alleen sprake van roof wanneer het Joodse verenigingen of stichtingen betrof. Deze werden geliquideerd en het bezit van de vereniging werd in zijn geheel door de bezetter - in deze gevallen de CNCV (Commissariaat voor niet CommerciŽle Vereenigingen en Stichtingen) - toegeŽigend. Bij niet-Joodse verenigingen of stichtingen waren verschillende situaties mogelijk, afhankelijk van de verordeningen die door de bezetter voor de specifieke vereniging van toepassing werden geacht. Het kwam erop neer dat Joodse leden uit de vereniging werden geweerd, waarbij de aan hun lidmaatschap verbonden uitvaartregelingen kwamen te vervallen, of hun regelingen c.q. verzekeringen werden geroyeerd omdat hun lidmaatschap of premies niet meer werden betaald na onderduik of deportatie.
Het rechtsherstel van dergelijke overeenkomsten was niet onderworpen aan een systematiek, noch aan specifieke richtlijnen. Het lag voor een belangrijk deel aan de vereniging of stichting hoe werd omgegaan met het herstel van dergelijke lidmaatschappen van overlevenden en met compensatie voor niet-geleverde diensten. Dit geldt met name voor natura-uitvaartverenigingen, die geen diensten hadden kunnen leveren omdat de uitvaart van de betrokken overledenen niet door de vereniging kon worden verzorgd. Uit de case-studies blijkt dat naar oplossingen is gezocht, terwijl de verenigingen soms gebonden waren door regels van de bedrijfstak. Het is waarschijnlijk dat herstel c.q. compensatie niet door iedereen even bevredigend is ervaren.
De Commissie Scholten heeft het rechtsherstel van Joodse begrafenisverenigingen niet goed kunnen onderzoeken wegens gebrek aan relevant archiefmateriaal. Wel is duidelijk dat ruim 71 procent van de boedel van de CNCV na de oorlog beschikbaar is gekomen voor restitutie. Hoe het met de individuele restitutie is verlopen, kan niet worden geconstateerd. Er moet sprake zijn geweest van 'herstel in herstel': dat wil zeggen dat na het herstel van de vereniging, inclusief de restitutie van een deel van de geroofde bezittingen, de individuele leden of hun rechthebbenden herstel c.q. compensatie van hun rechten hebben moeten ontvangen.

Conclusies over polisherstel
De Joodse polissen die via de anti-Joodse bezitsverordeningen door Liro zijn geroofd en daardoor in de naoorlogse administratie van LVVS zijn opgenomen, zijn in het algemeen in een zorgvuldig, maar gecompliceerd systeem tot herstel gekomen. De verzekeraars werkten aanvankelijk, vanwege de zorgen om de financiŽle verliezen als gevolg van de bezettingsomstandigheden, nauwelijks mee aan volledig polisherstel. De overheid deed niets om het verzekeringsbedrijf financieel te steunen of om tot een speciale wettelijke regeling voor het polisherstel te komen. Dat het polisherstel uiteindelijk zorgvuldig is verlopen, is aan twee factoren te danken. In de eerste plaats de uitspraken van de Afdeling Rechtspraak van de Raad voor het Rechtsherstel, die opkwam voor de belangen van de Joodse belanghebbenden. In de tweede plaats de totstandkoming en uitvoering van de twee overeenkomsten met betrekking tot het herstel van onbeheerde polissen onder auspiciŽn van het NBI door de BAON, LVVS en verzekeraars, die zorgden voor een bureaucratische administratieve afhandeling van het polisherstel. De belangen van de Staat als erfgenaam werden ingebouwd in de systematiek van het rechtsherstel en zijn een belangrijke motivatie geweest voor de controle op het polisherstel door de maatschappijen.

Mogelijke lacunes in het rechtsherstel
Uit het onderzoek naar de systematiek van roof en rechtsherstel blijkt dat bij enkele categorieŽn mogelijk lacunes bestaan in het rechtsherstel van Joodse polissen:

1) Verzekeringen die niet zijn gemeld bij Liro (dus ook niet zijn afgekocht), maar door de omstandigheden waarin de Joden zich bevonden zijn beŽindigd door royement. De waarde van deze polissen kan, wanneer zij niet werden opgeŽist, na de oorlog bij de verzekeraars zijn gebleven, wat ook geldt voor premievrije polissen. Door de vrijstelling van afkoop van de volksverzekeringen (die merendeels echter wel in de administratie van Liro terecht kwamen, omdat zij door de Joodse polishouders wel moesten worden aangemeld) is er een iets grotere kans op een lacune in deze categorie.

2) Individuele polissen die incidenteel door de gecompliceerde situatie van de Joodse verzekerden, de moeizame bewijsvoering inzake de vaststelling van het overlijden of de ingewikkelde systematiek van het rechtsherstel door de mazen van het net zijn gevallen.

3) Uitvaartverzekeringen die waren afgesloten bij uitvaartverenigingen en niet via Liro zijn geroofd, maar op andere manieren in bezettingstijd zijn beŽindigd en niet tot tevredenheid zijn hersteld of gecompenseerd.

Belangrijke (slot)conclusie in het onderzoek is dat er systematisch geen geldwaarden van Joodse polissen bij maatschappijen zijn achtergebleven. De verzekeraars mochten van de Staat een deel van de verzekerde waarden van onbeŽrfde polissen houden (1,3 miljoen gulden). Daar staat tegenover dat verzekeraars negentig procent (bijna 19 miljoen gulden) van de erkende vordering op LVVS terug hebben ontvangen, terwijl aan afkoopsommen een bedrag van 23,5 miljoen gulden was betaald.
Hierbij zijn overigens zowel de vrijvallende reserves van de lijfrenten als de uitkeringen van verzekerde bedragen die verzekeraars deden op overlijdensverzekeringen, buiten beschouwing gelaten.

Nadere informatie over de afwikkeling van verzekeringstegoeden in en na WO II:
Esther Koedam (CJO), e-mail: cjo@cjo.nl
of
Willem Terwisscha van Scheltinga (Verbond van Verzekeraars), e-mail: terw@verzekeraars.nl

Den Haag, februari 2000

© Centraal Joods Overleg/Verbond van Verzekeraars

Stichting Sjoa informeert commissie-Eagleburger over afwikkeling in Nederland van individuele verzekeringsclaims van oorlogsslachtoffers

De Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa , die verantwoordelijk is voor de afwikkeling van levensverzekeringen van Nederlandse oorlogsslachtoffers, heeft vorige week in Washington een presentatie verzorgd over de werkzaamheden in de eerste twee jaar van haar bestaan. Twee bestuursleden van de Stichting Sjoa, mr. M.R. Wijnholt (voorzitter) en mr. E.J. Numann, bezochten hiertoe een bijeenkomst van de International Commission on Holocaust Era Insurance Claims (ICHEIC), die onder voorzitterschap staat van Lawrence S. Eagleburger.

De Stichting Sjoa heeft inmiddels 2200 aanvragen afgewikkeld waarbij voor 89 verzekeringen in totaal EUR 385.000 is uitbetaald aan 193 rechthebbenden. Circa 4000 aanvragen of informatieverzoeken zijn nog in behandeling. Dit blijkt uit het Verslag van werkzaamheden 2000-2001, dat de Stichting dezer dagen toestuurt aan alle ruim 1600 personen die een of meer aanvragen of verzoeken om informatie hebben ingediend. Inclusief de uitkeringen die verzekeraars voorafgaand aan de oprichting van de Stichting Sjoa hebben gedaan, is nu op 133 polissen in totaal EUR 840.000 aan rechthebbenden uitgekeerd.

Voorzitter Eagleburger sprak tijdens de ICHEIC-bijeenkomst in Washington zijn waardering uit voor de constructieve en snelle wijze waarop het Centraal Joods Overleg en het Verbond van Verzekeraars ruim twee jaar geleden tot een regeling zijn gekomen en voor de inspanningen die worden verricht om niet-uitgekeerde tegoeden aan slachtoffers en nabestaanden uit te keren.

In november 1999 bereikten het Centraal Joods Overleg en het Verbond van Verzekeraars een akkoord over een definitieve regeling van de verzekeringstegoeden. Onderdeel daarvan was de oprichting van de Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa voor het onderzoeken en afwikkelen van individuele aanvragen. Op basis van de Nederlandse regeling trad het Verbond van Verzekeraars in mei 2000 toe tot de commissie-Eagleburger, die streeft naar het op wereldwijde schaal regelen van de kwestie van niet-uitgekeerde verzekeringstegoeden aan Joodse slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog. In juli 2001 werd de Nederlandse regeling formeel binnen de commissie-Eagleburger goedgekeurd door een samenwerkingsovereenkomst tussen de commissie en de stichting. Dit houdt onder meer in dat de aanvragen die de commissie-Eagleburger heeft ontvangen, ter afwikkeling worden overgedragen aan de stichting. Ook is een commissie van beroep ingesteld voor aanvragers die het niet eens zijn met beslissingen van de stichting.

Den Haag, 29 januari 2002

Verslag van werkzaamheden van de Stichting Sjoa over 2000-2001

Bestuursvergaderingen
Tijdens de eerste bestuursvergadering op 31 januari 2000 werden besluiten genomen over huisvesting en inrichting van het secretariaat, de personeelsbezetting, het vermogensbeheer, een publiciteitscampagne en het openen van een internetsite.

In de tweede vergadering op 23 februari 2000 werd besloten om een lijst met 750 namen van niet-uitgekeerde polissen op de internetsite te publiceren. Hiervoor moest eerst toestemming worden gevraagd aan de Registratiekamer. Begin april werden deze namen op de internetsite geplaatst. Om dit publicitair te ondersteunen bracht de Stichting een persbericht uit en gaf bestuurslid Numann een interview voor de radio. De publicatie van de lijst gaf aanleiding tot veel aandacht in diverse media.

Het bestuur komt ongeveer eenmaal per maand bijeen. Een belangrijk deel van de bestuursvergaderingen wordt in beslag genomen door beslissingen over het doen van uitkeringen. Andere onderwerpen waren de organisatie en werkzaamheden van de Stichting, voortgang van de aanvragen, publiciteit, externe contacten en vermogensbeheer.

Voor de laatste vergadering van het jaar 2000 waren diverse deskundigen van verzekeringsmaatschappijen uitgenodigd om deel te nemen aan een discussie over het uitkeren van oorlogspolissen naar aanleiding van enkele praktijkvoorbeelden. Belangrijkste conclusies van deze bijeenkomst waren:

  • incompleetheid van de archieven maakt het lastig en tijdrovend om erachter te komen of een verzekering wel of niet is uitgekeerd;

  • als er een uitkering plaatsvindt moet zorgvuldig worden uitgezocht wie de rechthebbende(n) is/zijn, bij voorkeur door middel van een verklaring van erfrecht;

  • iedere rechthebbende heeft recht op zijn of haar deel; als rechthebbenden nog niet bekend zijn wordt hun deel gereserveerd;

  • de Stichting zal een oud-notaris als adviseur aantrekken.

Secretariaat
Besloten werd het secretariaat van de Stichting onder te brengen in het gebouw van het Verbond van Verzekeraars, om daar de nodige ondersteuning en faciliteiten te krijgen, uiteraard wel met een eigen adres, postbus, telefoonnummer, internetsite en e-mailadres. Er werd gekozen voor de bezetting met een secretaris voor een ŗ twee dagen per week en administratieve ondersteuning voor tweeŽnhalve dag. Secretaris werd mevrouw drs. P.J. van Oosterhout, die zich al voor het Verbond had beziggehouden met de afwikkeling van oorlogsclaims.

In de eerste maanden werden brochures in het Nederlands en Engels met bijbehorende formulieren verzorgd, een registratiesysteem aangeschaft, een internetsite opgezet en een kantoor opgetuigd. In februari 2000 volgde een publiciteitscampagne met advertenties in onder andere Nederlandse, IsraŽlische en Amerikaanse dagbladen. Er werd een telefoonlijn opengesteld, waar belanghebbenden zich iedere werkdag van negen tot twaalf kunnen melden. In de maanden daarna zijn er duizenden brochures verspreid.

Vanaf eind februari 2000 kwamen de eerste formulieren binnen via post, fax en e-mail. De publicatie van de lijst met niet-uitgekeerde polissen begin april op internet leidde tot veel aanvragen.

Begin mei had de Stichting al bijna 3.500 aanvragen binnengekregen: 1.200 waren direct bij de Stichting binnengekomen, 900 aanvragen werden overgenomen van het Verbond en de verzekeringsmaatschappijen, 1.000 aanvragen kwamen binnen via het Centraal Meldpunt Joodse Oorlogsclaims en 400 via het Centraal Meldpunt IsraŽl.

Het aantal aanvragen was aanzienlijk hoger dan waarmee bij de opzet van het secretariaat rekening was gehouden. Met de toenmalige bezetting was deze hoeveelheid aanvragen niet te verwerken. Het secretariaat moest worden geherstructureerd en uitgebreid om de aanvragen goed te kunnen verwerken. Tevens moesten er duidelijke procedures komen.

Voor mevrouw Van Oosterhout was dit alles aanleiding om haar taken als secretaris neer te leggen, omdat deze niet te combineren waren met haar werkzaamheden bij het Verbond. Per 1 juli 2000 werd de heer H.T.C.J. van der Well, die als coŲrdinator werkzaam was bij het Centraal Meldpunt Joodse Oorlogsclaims en daar ervaring met verzekeringsclaims had opgebouwd, als nieuwe fulltime secretaris aangesteld. De herstructurering van het secretariaat en vaststelling van nieuwe procedures hebben inmiddels plaatsgevonden, maar aanvankelijk was er groot verloop en ziekte onder het personeel, dat voor een deel bestond uit uitzendkrachten.

Na een inventarisatie in het voorjaar van 2001 van de werkvoorraad en doorloopsnelheid werd besloten tot een verdere uitbreiding van de onderzoekscapaciteit. De personele bezetting is van 0,8 fte gegroeid naar 4,7 fte en zal in de komende periode nog verder groeien naar 5 fte. In totaal werken er nu acht personen bij de Stichting.

Aanvragen
De aanvragen zijn in te delen in drie categorieŽn:

  1. aanvragen zonder informatie over verzekeringsmaatschappij (87%);

  2. aanvragen die ťťn of meerdere verzekeringsmaatschappijen noemen (8%);

  3. aanvragen die betrekking hebben op een naam van de internetlijst met niet-uitgekeerde polissen (5%).

De aanvragen worden verwerkt in een registratiesysteem. Dit systeem registreert de gegevens van aanvrager, relaties, oorlogsslachtoffer, verzekeringen, status van de aanvragen en de gevoerde correspondentie. De wijze waarop gegevens in de eerste maanden van het bestaan van de Stichting Sjoa in het systeem waren opgenomen bleek onvoldoende om de aanvragen effectief te kunnen behandelen. Ook bleek dat door het grote verloop in uitzendkrachten de gegevens niet altijd consequent waren ingevoerd. Hierdoor moest naast het inlopen op de achterstand van invoer ook hieraan aandacht worden besteed.

Hieronder volgt een overzicht van de cumulatieve aantallen aanvragers, aanvragen en hun status (afgerond op 50-tallen).

  Ultimo 2000 November 2001
Aantal aanvragers 1200 1500
Aantal aanvragen 5000 6300
Waarvan:
- afgehandelde aanvragen 1000 2200
- in onderzoek bij maatschappij 2000 2300
- in onderzoek bij Stichting 250 550
- Nog te behandelen 1750 1250

Uitkeringen
Zoals eerder gemeld heeft het bestuur bepaald dat voor iedere uitkering moet worden uitgezocht wie de rechthebbende(n) is/zijn. In de praktijk blijkt dit onderzoek erg arbeidsintensief en tijdrovend te zijn. In een groot aantal gevallen blijken er verklaringen van erfrecht, veelal uit de jaren zestig, aanwezig te zijn. Deze moeten echter naar de huidige tijd worden ‘vertaald’. Hiervoor moet veel informatie worden opgevraagd bij gemeenten.

Met betrekking tot de op internet gepubliceerde lijst van niet-uitgekeerde polissen is gebleken dat in een aantal gevallen na onderzoek moest worden vastgesteld dat de polissen wel degelijk in het verleden zijn uitgekeerd. Deze namen zijn afkomstig van de verzekeringsmaatschappijen, wat duidelijk maakt hoe onvolledig de archieven zijn en hoe complex deze zaken vaak in elkaar zitten.

Alvorens tot uitkering over te gaan moet de hoogte van de uitkering worden bepaald. Soms zijn er zo weinig gegevens dat de polis gereconstrueerd moet worden. In een aantal gevallen moet advies van een actuaris, notaris of andere deskundige worden ingewonnen.

Om tot uitkering over te kunnen gaan heeft de Stichting van iedere rechthebbende een kopie van een identiteitsbewijs, adresgegevens, en gegevens van bank- of girorekening nodig.

Door deze arbeidsintensieve handelingen zijn de uitkeringen door de Stichting langzaam op gang gekomen.

In 2000 zijn er acht polissen uitgekeerd aan zestien rechthebbenden voor een bedrag van € 51.958,28 (NLG 114.501,-). In 2001 is het aantal uitkeringen sterk toegenomen. In totaal zijn er tot en met eind november 89 polissen uitgekeerd aan 193 rechthebbenden voor een bedrag van € 385.625,05 (NLG 849.805,80,-).

De uitkeringen zijn in Nederland onbelast en er is geen inkomstenbelasting over verschuldigd.

Externe contacten
In 1998 werd de International Commission on Holocaust Era Insurance Claims (ICHEIC), ook wel naar de voorzitter de Commissie-Eagleburger genoemd, opgericht. Deze commissie bestaat uit toezichthouders uit de VS op het gebied van verzekeringen, vertegenwoordigers van IsraŽl en Joodse organisaties, en verzekeringsmaatschappijen.

Met grote belangstelling werd door ICHEIC naar de situatie in Nederland gekeken. Niet alleen was Nederland het eerste land ter wereld waar een akkoord werd gesloten tussen verzekeringsmaatschappijen en de Joodse gemeenschap, maar er waren ook Nederlandse verzekeringsmaatschappijen met belangen in de VS. Het Verbond werd in mei 2000 lid van ICHEIC.

In het jaar 2000 hebben de toezichthouders van CaliforniŽ, Washington en New York een bezoek gebracht aan de Stichting en gesproken met het bestuur. Zij waren onder de indruk van hetgeen in Nederland was bereikt.

ICHEIC is ook gestart met claimbehandeling. Bij hen zijn enige honderden claims binnengekomen die betrekking hebben op Nederland. ICHEIC heeft contact gezocht met de Stichting om een overeenkomst te sluiten die het mogelijk maakt om deze claims via de Stichting af te handelen. Daarom heeft de vice-voorzitter van ICHEIC, G. Fitchew, in oktober 2000 een bezoek gebracht aan het bestuur van de Stichting. Het bestuur sprak zich uit voor samenwerking met ICHEIC en zegde toe de mogelijkheid van een bezwaarcommissie te bekijken.

Eind augustus 2001 is de definitieve overeenkomst getekend en zal de Stichting ook de claims die bij ICHEIC zijn binnengekomen, in behandeling nemen. Ook werd tot de vorming van een bezwaarcommissie besloten.

De Stichting heeft veel contact met het Verbond en de verzekeringsmaatschappijen. Door de huisvesting binnen het gebouw van het Verbond kan de Stichting gebruikmaken van alle voorzieningen die daar aanwezig zijn. Met de verzekeraars vindt regelmatig overleg plaats over de gang van zaken. Met hen wordt ook gesproken over het beter toegankelijk maken van hun archieven teneinde hun onderzoeken beter en sneller te kunnen uitvoeren.

Ook met andere instellingen bestaat nauw contact:

  • Algemeen Rijksarchief (archieven NBI en Vermiste Personen);

  • Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD);

  • Joods Maatschappelijk Werk (JOKOS archief);

  • Amsterdams gemeentearchief;

  • bevolkingsregisters;

  • ministerie van FinanciŽn (archieven LVVS en successie);

  • ministerie van Justitie (Centraal Testament Register);

  • Centraal Joods Overleg;

  • Centraal Meldpunt Joodse Oorlogsclaims;

  • Centraal Meldpunt IsraŽl.

Bij het NIOD is een belangrijk archief aanwezig met veel informatie over Joodse families en verervingaspecten. Het bestuur heeft besloten om dit archief op cd-rom te laten zetten, zodat de Stichting het onderzoek binnenshuis kan doen en de noodzaak om bij aanvragers aanvullende informatie te vragen, zal afnemen. Dit project zal eind 2001 worden afgerond.

Vooruitzichten
Het bestuur heeft zijn zorg uitgesproken over het feit dat het streven om binnen zes maanden een beslissing over een aanvraag te nemen, niet is gehaald. Factoren die hierbij een rol hebben gespeeld zijn:

Om deze situatie te verbeteren zijn er acties ondernomen die ervoor moeten zorgen dat de organisatie verder wordt uitgebreid en geprofessionaliseerd en dat de doorlooptijden, die nu ruim een jaar bedragen, worden teruggebracht zodat zo spoedig mogelijk de streeftermijn van zes maanden voor het nemen van een beslissing op een aanvraag, zal worden bewerkstelligd.

De belangrijkste acties hebben betrekking op:

  • uitbreiden van de onderzoekscapaciteit;

  • aandringen op versnelling onderzoek bij maatschappijen;

  • vergroting efficiŽntie eigen onderzoek;

  • beter bewaken van het voortgangsproces;

  • opschonen registratiesysteem.

Het feit dat het aantal aanvragen in 2001 aanzienlijk is afgenomen zal bijdragen aan een verkorting van de doorlooptijd. Wel zal de overeenkomst met ICHEIC leiden tot een toename van de werkvoorraad.

Zo mogelijk zal de Stichting, op basis van opgaven van de verzekeringsmaatschappijen, de internetlijst blijven aanvullen met nieuwe gegevens over niet-uitgekeerde polissen.

Het instellen van een bezwaarcommissie nadert zijn voltooiing. Het bestuur heeft hiertoe het reglement gewijzigd en de installatie van de commissie was eind 2001 een feit.

Stichting Individuele Verzekeringsaanspraken Sjoa
Postbus 91475, 2509 EB Den Haag
telefoon (09.00-12.00 uur) 070 - 3338546, fax 070 - 3338846

Den Haag, januari 2002

Overname van (delen van) de artikelen is toegestaan onder nadrukkelijke voorwaarde
dat de bron wordt vermeld.